(over hoog in de bergen, angsten en grenzen)
Na elke tien stappen moest ik even stoppen. De spieren brandden. Ik keek omhoog en zag dat zoon Ruben zijn snelheid ook verminderde. Weer tien passen. Weer een korte stop. De rug even ontlasten. Met elke stap leek de ruim 20 kilogram wegende rugzak nog zwaarder te worden. Maar met elke stap kwam ook de top van deze Alpen-kam dichterbij. Zwaar ademhalend en zwaar zwetend kwam ik boven. Althans, op de plek die ik voor boven had gehouden, want er was alweer een nieuwe kam in het gezicht. Ruben met wie ik een paar dagen in de bergen was, liep een stuk vooruit. Hij is een getrainde topatleet die schijnbaar moeiteloos de top op danst. Nu ben ik ook niet bepaald ongetraind, maar mijn dansen op de berg leek meer op die van de stervende zwaan.
De rugzak was zwaar, voor meerdere dagen voeding, niet alleen voor ons maar ook voor onze hond die mee was, water, tentje, kleding voor warm, koud en of nat, de ter verrassing meegenomen twee blikjes Radler, matjes en kookgerei telden op tot heel wat kilo’s.
De route was middels gedetailleerde kaarten uitgestippeld, maar kaarten vertellen nooit precies wat je tegen gaat komen. Zo gebeurde het op de tweede dag dat we na lang stijgen op een punt kwamen waar onze route leek te eindigen. Via een tergend stijl paadje waren we op de top van een kam gekomen en voor ons lag een eindeloze ‘vlakte’ aan stenen en kiezels. Heel steil en op grote hoogte. Mijn hoogtevrees vertelde me dat hier geen pad kon zijn. Mijn hoogtevrees, die me regelmatig natte handpalmen bezorgt. Mijn hoogtevrees die me op gepaste afstand van de balustrade van hoge dakterrassen houdt.
In de verte kijkend zag ik ook geen route, maar vlak voor me ontwaarde ik toch een 30cm breed plateautje dat fungeerde als pad. Alles in me zei ‘dit kan niet’. Stilstaand vloog mijn hartslag omhoog. Maar omkeren was geen optie. Niet voor onze tocht. Niet voor Ruben die het probleem niet zag.
Uiteindelijk liepen we anderhalf uur over deze puinvlakte op bijna 3000 meter hoogte. Er zaten momenten tussen dat het paadje er niet meer was of dat de stenen onder mijn voeten weggleden. Maar doorgaan was de enige dat ik kon doen. Ik vertelde Ruben en vooral mezelf dat om de bocht van de kam het makkelijker zou worden, verder konden we niet kijken. Helaas, dat klopte dus niet. Het werd eerst nog steiler. In de verte – op een andere bergkam – zag ik mensen staan en ik riep naar Ruben ‘kijk daar dan!’. Wat bleek, ons pad bleek daarnaartoe te lopen. Onderweg een stuk waar we bijna recht omhoog moesten klauteren, weinig houvast, de hond de weg wijzend en in balans blijvend met die zware rugzak. De hoogtevrees bestond al niet meer, de enige weg was die naar omhoog.
Al klauterend bereikten we de top van deze alp. Een prachtige kam. Al werd het uitzicht voor mij bedorven door de diepe afgrond waarin we moesten afdalen. Weer heel steil. Weer veel losliggend puin. Na 200 meter kwam een punt waar een kabel hing. We moesten daar verticaal naar beneden. De hond ook. Een soort van abseilend kwam ik naar beneden, waarbij Ruben op voor mij raadselachtige wijze de hond droeg, en met het gewicht van de rugzak zijn balans houdende ook afdaalde. De ballast van mijn hoogtevrees had ik allang van me afgeworpen.
Na dit moment was er geen zwaar stuk meer. Vergeleken met wat we net hadden meegemaakt was alles makkelijk. Bij de afdaling keken we regelmatig achterom. Daar zijn wij langs beneden gekomen! Hoe dan?
Een paar dagen in de bergen waar we onze grenzen weer hebben verlegd. Meer kilometers per dag. Meer hoogtemeters per dag. Technisch veel moeilijker. En de hoogtevrees uitgeschakeld. ‘s Avonds starend naar de vlammen van ons kampvuurtje en kijkende naar de heldere sterrenbeelden, kwamen de regels van `boven op de berg’ voorbij. Een mooi lied, waarin Bram Vermeulen een scherpe boodschap bezingt.
De bergen zijn voor mij iets mythisch. Ik voel me er thuis. Het maakt me nietig. Ik stel er niets voor. Ik ben onbelangrijk. Ik ben vergankelijk. Zij waren er voor me en zullen er na mij zijn. Ze zijn robuust. Ze zijn mooi. Maar ik moet ook op Hollandse vlakke NAP kunnen staan om die schoonheid te kunnen beseffen.
De bergen herinneren me er ook aan dat grenzen verleggen alleen maar gebeurt, wanneer je je buiten je eigen comfort zone begeeft. Dingen doet waarvan je van tevoren niet weet of je ze kan. Iets doet waar je eigenlijk bang voor bent. Je eigen angsten opzoekt. Je angsten uitschakelt of juist gebruikt om scherp en alert te blijven.
Het maakt dan niet uit of dat in de Alpen is, of bij een sportwedstrijd, de presentatie van je scriptie, een belangrijke vergadering op je werk – ga je angsten juist met open vizier tegemoet. Oftewel in goed Engels ‘face your demons’, omdat je boven op de berg wilt staan.